Tom Waits :: één met het rariteitenkabinet |
|
|
|||
|
De gruizige rasp van meesterverteller Tom Waits is er op ’s mans jongste driedubbele werkstuk Orphans: Brawlers, Bawlers & Bastards niet gepolijster op geworden. De stem van de bard mag dan velen afstoten, ze leent zich uitstekend voor de sinistere sprookjes en getormenteerde levensverhalen van de verworpelingen der aarde, vergroeid met de goot, aan wiens zijde Waits zich altijd geschaard heeft. De grens tussen fictie en autobiografie is daarbij niet altijd even duidelijk te trekken.
OnderwegEind jaren zestig neemt Waits de wijk naar San Francisco. De toen welig tierende hippiebeweging laat hij feestelijk aan zich voorbijgaan, het te volgen spoor is dat van de beatniks en Jack Kerouac. Waits ontwikkelt de ambitie om een muzikaal luik te breien aan de literaire output van de hele beatnikbeweging -- de referenties aan Kerouac, Burroughs en Bukowski zijn in interviews uit die tijd niet van de lucht. De personages uit Waits’ eerste albums, die hij uitbrengt begin jaren zeventig -- naast Closing Time ook The Heart Of Saturday Night (1974) en Nighthawks At The Diner (1975) -- houden het thematisch simpel en blijven trouw aan de beatnikspirit: er zijn drinking songs en driving songs. De Bob-campagnes ver vooruit, wordt een combinatie van de twee gelukkig niet gepropageerd.
Waits spant zich ondertussen uitermate in om daadwerkelijk te doen waarover hij zingt en houdt de mythe over zijn persoon in stand door consequent in beschonken toestand op interviewafspraken en optredens te verschijnen. In plaats van met egards behandeld te worden door de eigenaars van de clubs waar hij moet concerteren, wordt hij er geregeld hardhandig aan de deur gezet. “The Piano Has Been Drinking, Not Me” wordt een grapje dat in zijn omgeving op den duur zelfs niet meer op een monkellach onthaald wordt. “Our love needs a transfusion, let's shoot it full of wine” (uit “New Coat Of Paint”) is niet de manier om een spaak gelopen relatie weer op te lappen, maar daar wil this old tomcat in die tijd niet aan. 13 december 2006 |
Meer Tom Waits
Meer artikels
Meer op Goddeau.com
|
||


Al meer dan dertig jaar ligt er ondertussen tussen het debuut Closing Time uit 1973 en het alternatieve carrièreoverzicht van Orphans. Vergeleken met de vervaarlijk aan de zelfkant van de maatschappij zwalpende creaturen die in zijn latere werk zouden opduiken, zijn de figuren die Waits’ liedjes aanvankelijk bevolken nog aandoenlijke doetjes. Vooral op Closing Time hebben de tooghangers, naast de vijfde whisky van de avond, vooral een schouder nodig om op uit te huilen. Waits leent zijn stem zowel aan de dolverliefden met de kolder in de kop als aan de door het leven keihard in de ballen getrapte radelozen en de emotioneel gekneusden. Het in merg en gemoed snijdende “Martha”, over een oude en verloren gegane liefde, is wellicht de bekendste exponent van zielpijn op het debuut.
Voor zover de figuranten in Waits’ eerste platen al geen eeneiige tweelingen en alter ego’s zijn, worden ze stuk voor stuk toch verbonden door dezelfde karaktertrek: rusteloosheid. Ergens voorgoed de tenten opslaan is geen optie, het gras dat steeds groener is aan de overkant en de verre horizonten roepen. “The only place a man can breathe and collect his thoughts is midnight and flyin' away on the road”, klinkt het in “Semi Suite”. Die mening zijn haast alle hoofdrolspelers toegedaan. Hun geliefden moeten het steevast afleggen tegen de interstate, en is het geen voortjakkerende trein op de achtergrond, dan wel een schip dat wacht tot de laatste matroos is ingescheept. ‘Thuis’ is in alle songs een vluchtig begrip en geen plek om met haast en spoed naar terug te keren. “So goodbye, so long, the road calls me dear”.