Tom Waits :: één met het rariteitenkabinet |
|
|
|||
|
CarnivaleDe alleen nog door bijzienden als mensen herkenbare anomalieën en curiositeiten hebben altijd al hun plaats gehad in het werk van Waits, maar vooral op de latere albums zijn de glansrollen voor hen weggelegd. Wanneer het doek van The Black Rider (1993) openzwaait, wordt de onvoorbereide bezoeker meteen binnengegooid in Harry’s Harpour Bizarre, waar de Driehoofdige Baby, Hitlers brein, de aapvrouw Priscilla Bajano, het menselijke skelet Milton Malone en Jo Jo, de jongen met de hondenkop en andere vergissingen van de natuur, te kijk worden gezet. Het album is de eerste uitloper van een herhaalde samenwerking met toneelregisseur Robert Wilson. Het toneelstuk The Black Rider: The Casting of the Magic Bullets, gebaseerd op het werk van W.S. Burroughs, is een vrijgeleide voor Waits om helemaal loos te gaan in zijn schetsen van de succesnummers van de freakshow. Het zou niet verbazen mochten de Carnivale-auteurs Waits-fans zijn. Ook op het fabeltastische Mule Variations (1999) kan Waits het niet laten en rakelt hij onder meer de ongelukkige geschiedenis op van de “Eyeball Kid”, de jongen zonder ledematen die een en al oogbal is. Accidents happen.
Het driedubbele Orphans, dat het laatste wapenfeit is in een ondertussen uitgebreide discografie, is in wezen een synthese van alles wat Waits de jongste drie decennia uitgebracht heeft. Brawlers (ziedende, stampende bluesrock), Bawlers (krakkemikkige ballades) en Bastards (spoken word en niet te klasseren rariteiten) zijn kelderrestjes, maar ten huize Tom Waits wordt geen Chateau Migraine geserveerd, alleen grand cru’s zijn het ontkurken waard. Voor de cast en muziek geldt ook hier wat wij al een heel artikel verkondigen: niet voor tere kinderzielen, maar voor wie zijn kinderlijke verbeelding vrij spel durft te geven, is het wonderland van Alice binnen handbereik. 13 december 2006 |
Meer Tom Waits
Meer artikels
Meer op Goddeau.com
|
||


Was het op Swordfishtrombones misschien nog onwennig kennismaken met de rare vogels uit de groezelige buurten die Waits frequenteert, dan wordt de achteloze toehoorder helemaal mee in het bad getrokken voor een zintuiglijke ervaring die zijn gelijke niet kent op dat andere meesterwerk uit de tachtiger jaren, Rain Dogs. De titel verwijst naar honden die in de regen de weg kwijtraken omdat alle geuren worden weggespoeld. Gedesoriënteerd leggen ze zich ergens te slapen om de volgende dag kop noch staart te krijgen aan hoe en in welke toestand ze beland zijn in de uithoek waar ze zich bevinden. De parallel met verschoppelingen op de dool ligt voor de hand en wordt op de plaat in extenso uitgewerkt. Uit rioleringen, louche bars en gokhuizen komen ze massaal tevoorschijn, de figuren die geen daglicht verdragen. Van de eenarmige dwerg die kapitein is van het schip dat even aangemeerd is voor een nacht van licht vertier in opener “Singapore” tot de berustende dronken zeeman in “Anywhere I Lay My Head”, geen enkel karakter is geschikt voor de rol van brave burgerman of -vrouw. Alsof wij iets anders zouden willen.
Ook de twee tegelijk uitgebrachte cd’s Alice en Blood Money (2002) vloeien voort uit de theaterproducties van Wilson. Voor de personages die er gestalte krijgen in het mistige niemandsland tussen waken en dromen, is het geen overbodige luxe geregeld over de schouder te kijken: het onheil dat achter elke hoek loert, jaagt op den duur niet alleen henzelf maar ook de toehoorder de stuipen op het lijf. Zijn de vreemde vogels op het dromerige Alice nog amusant en niet in die mate afschrikwekkend dat ze ertoe nopen luid gillend weg te rennen -- al zouden we ons geld niet toevertrouwen aan de loensende nachtbrakers op de “Reeperbahn” -- dan is het driedubbel uitkijken voor de vervaarlijk met knipmessen zwaaiende drankorgels die Blood Money bevolken. Van het zoveelste skelet dat grijnzend een hoempawalsje inzet, kijkt geen mens nog op na de achtbaanrit die het recentere werk van Waits steeds meer is.