|
Het ene moment lig je je nog op te winden over het gebrek aan nieuw singer-songwritersbloed met ballen in dit taalgebied (meer daarover in het verslag van het demoproject), en even later word je blootgesteld aan een man die best als voorbeeld kan fungeren van hoe het ook kan. William Elliott Whitmore is nog eens zo’n echte vent.
Zelden zo sterk onder de indruk geweest van zo weinig als toen we Song Of The Blackbird (2006) voor het eerst te horen kregen. Ultrasimpele songs, verpakt in drooggetrainde arrangementen waarin de hoofdrol steevast gestolen werd door op zichzelf aangewezen banjo (of gitaar) en een uit natuursteen gehouwen stem als een dieselmotor. Het album vormde het laatste deel van een drieluik dat in gang gezet werd door Hymns For The Hopeless (2003) en Ashes To Dust (2005), ruwe kronieken waarop Whitmore de balans opmaakt van de voorbije decennia, die in zijn geval niet steeds even gunstig verliepen.
Sinds z’n tienerjaren verloor Whitmore beide ouders en een goede vriend, traumatische gebeurtenissen die hem ertoe aanzetten muziek te maken om het verlies van zich af te kunnen scrhijven. Als hij een in zichzelf gekeerde, nukkige misantroop was geweest, dan hadden we hem dat vergeven, maar de man die we een paar uur voor zijn innemende set in de Vooruit (als voorprogramma voor Isobel Campbell & Mark Lanegan) ontmoetten, bleek een charmante en goedlachse spraakwaterval die elke vraag gewillig en statig beantwoordde, als was hij een negentiende-eeuwse landeigenaar. goddeau: Hoe bevalt Europa in vergelijking met landelijk Iowa? Whitmore: "Geweldig man! We zijn in Londen, Brighton en Bristol geweest, en vandaag in Gent spelen we het eerste optreden op het continent. Maar de shows zijn dus super, ik ben echt vereerd dat ik mee mag met Isobel en Mark, ze zijn allebei ook heel aardig." goddeau: Hoe reageert het publiek? Lanegan is een icoon, dus ik kan me voorstellen dat je soms wat vervelende of verveelde reacties krijgt. Whitmore: "Het publiek is ook geweldig! (lacht) De mensen tonen veel respect. Sommigen hebben mijn muziek ook al gehoord, en ik ben eigenlijk al blij dat ze willen luisteren. Als je op Isobel en Mark wacht, dan kan je wat ongeduldig zijn, daar zou ik alle begrip voor hebben. Maar ze beginnen me nog steeds niet te bekogelen met allerhande vuiligheid." (grijnst) goddeau: Ik las dat je binnen enkele weken op tournee gaat met Red Sparowes, een band die toch nog heel anders klinkt dan wat er vanavond te horen valt. Heeft elk soort band z’n publiek? Whitmore: "Ik merk dat verschil wel ja, maar dat is wel iets waar ik van hou. Met totaal verschillende bands spelen, zorgt ervoor dat je oog in oog komt te staan met steeds andere mensen en culturen. Ik heb al eerder met Red Sparowes gespeeld, en heb een geweldige tijd met hen meegemaakt. Ik speel wel geregeld met punk- en hardcorebands als Converge en Clutch, echt wel zwaargewichten. Ik heb ook gespeeld met The Pogues, terwijl het tijdens deze tour gaat om luistermuziek, en daar kan je op anticiperen. Ik verander sowieso elke avond van setlist. Ik speel wel vaak dezelfde songs, want ik heb er niet zo heel veel, maar soms beslis je op het moment zelf of je een trage of snelle gaat spelen. En het leuke aan met rockbands spelen, is natuurlijk ook dat je de energie van het publiek zo kan voelen. Ook als je daar staat met je banjo. Zelfs als je fan bent van een genre, dan wil je toch niet de hele avond hetzelfde zien? Wie wil in godsnaam naar vijf hardcorebands na elkaar kijken?" goddeau: Heb je er zelf een idee van hoe je in die verschillende subculturen aan bod kan komen, waarom je met rootsartiesten kan spelen, maar ook met indie- en heavy bands? Whitmore: "Ik ben ervan overtuigd dat het komt omdat mijn muziek zo simpel is dat heel wat mensen zich erdoor aangesproken kunnen voelen. Of dat is toch een belangrijk aspect ervan. Ook de verhalen die ik vertel zijn heel direct, en ik probeer ze dan ook nog eens te vertellen op een universele manier. Ik schrijf geen dagboeksongs, en daardoor kan een Misfits-fan ook wel iets in m’n songs terugvinden waar hij zich mee identificeert. Dat betekent niet dat ik niets van mezelf in m’n song steek, integendeel zelfs, maar het is een oud truukje om het wat te verpakken." (lacht)
Guy Peters | foto's Madelien Waegemans & Pieter Morlion
28 februari 2007 |