Dour 2008: Een wake-up call voor randdebielen |
|
|
|||
|
We zouden u kunnen vervelen met de traditionele verhalen wat voor uitputtingsslag vier dagen Dour is voor uw nochtans kerngezonde verslaggevers. Maar dat hebben we de vorige jaren al gedaan, daarom deze keer gewoon de feiten, voor u gedistilleerd uit ons grote verslag van op de wei. Dag een: Toekomst met rundvleesgeurTwintig jaar bestaat Dour al ondertussen, deze marathon van hardcore, dance, véél hiphop dit jaar en een beetje indie. Het is zoeken naar krenten in een pap die op zich al lekker is, en waar kunnen we beter onze odyssee starten dan bij onze jongste vaderlandse trots? Steak Number Eight moest en zou op Dour spelen, en een gebroken pols zal hen daarbij niet tegenhouden. Toch moet drummer Joris Cassier in de stevigste nummers toch even plaats maken voor zijn drumleraar Jan De Smet. We horen dus een band die éven met de handrem op begint -- we hebben van “The Sea Is Dying” al betere versies gehoord -- maar tegen “My Hero” toch volledig op gang komt. Zelfs lichtjes gehandicapt blijft de doem van Steak ronduit indrukwekkend en aan de grote voorbeelden gewaagd. Ligt het aan de opgelopen tinnitus bij Steak Number Eight, of vinden wij The Teenagers toch een goede tien minuten vrij uitstekend? Helaas: begint het concert met afschuwelijk catchy singlemateriaal, dan blijft datzelfde leuke new wave-popriedeltje zich drie kwartier lang hardnekkig herhalen, terwijl de zanger zoveel haar op zijn Engels heeft staan dat het even op Mandarijns lijkt. Het publiek wordt licht uitzinnig voor de Parijzenaren, maar onze oren zien harder af dan onze voeten daarnet tijdens de Echternachprocessie richting camping. Foals is op de tijd waarin wij amper onze neus konden snuiten uitgegroeid tot een stevige groep van professionele volksmenners, die de halfvolle wei voor de Last Arena veranderen in een kleine waterkolk. Toch lijkt een en ander ietwat routineus met bijna dezelfde set als op Polsslag, en maar half zo overweldigend als toen. De repetitieve, aan Steve Reich schatplichtige postpunk van de band blijft niettemin dansbaar en opzwepend, en ook wij kunnen amper stilstaan wanneer de hoekige gitaartjes uit de speakers aangewaaid komen en frontman Yannis Philippakis van het podium afspringt en op zijn trom klopt alsof hij net uit zijn collocatie is ontsnapt. En als we dan toch dansen: Eli “Paperboy” Reed krijgt van zijn begeleidingsband The True Loves een introductie wijlen Soul Brother #1 waardig, waarna de het podium opstormende blanke snaak zijn krachtige keel opentrekt om de stilletjes volgelopen tent compleet omver te blazen. Koppel de energie van de jonge Springsteen aan de soulvolle songs van Motown, en u weet wat voor een broeierig feestje dit is. Vintage Soul dus, met onnozelheden als de obligate introductieronde vandien, maar niettemin verdomd lekker: neem alleen al de aalgladde r&b van “It’s Easy” of “Ace Of Spades” van Motörhead dat hier van schreeuwerige hardrock omgebouwd wordt tot een zwoele funk-workout. Geen brommende Lemmy hier, maar bezwerend gekweel van Eli terwijl de saxen wegtoeteren en de baslijnen het publiek onder lichte dwang tot dansen aanzetten. Een kleine revelatie. Blaine Harrison van Mystery Jets maakt er blijkbaar een sport van festivalbandjes te verzamelen. Een hobby als een ander, en de Eastpak Corestage van Dour is een nieuwe overwinning aan zijn arm. In de typische, op de Kinks geïnspireerde Britrock horen we weinig origineels, maar het publiek gaat zachtjesaan wel uit de bol voor hitjes als “The Boy Who Ran Away” en “Young Love”. Charming, maar ook niet veel meer dan dat. Succes doet iets met een mens: was Erlend Oye jaren geleden nog één helft van het nerdy Kings Of Convenience, dan out hij zich de laatste tijd als funky dude bij The Whitest Boy Alive. ‘s Mans nieuwste outfit maakt zwoele muziek die het goed zou doen op cocktailparty’s waar al eens lichtjes geschuifeld mag worden. Aangenaam, maar Oye blijkt ook maar een beperkt kunstje te beheersen: haast elk nummer is inwisselbaar met het volgende en de verveling krijgt gaandeweg dan ook de overhand. Divatime: Goldfrapp doet het vandaag helemaal in sekte-achtig wit gestoken en pakt aanvankelijk vooral uit met het etherische materiaal van debuut Felt Mountain en het nieuwe Seventh Tree. Mooi, maar tegen de regen kan de zangeres op die manier niet op. Pas wanneer het blik discokrakers van op Black Cherry en Supernature wordt opengetrokken, krijgt ze echt het publiek mee, maar dan wel meteen goed: “Train” is een daverende afsluiter van dit helaas wat in het water gevallen optreden. Gortdroge beats en bezwerende minimal: Ellen Allien is een ideale afsluiter voor deze eerste, lome festivaldag. Alliens bliepende dj-set lijkt de massa echter weinig te boeien; wij daarentegen geraken lichtjes betoverd door de plaatjes die de Berlijnse grootstadprinses op de mixtafel legt. Toegegeven, we hadden ons na het uitstekende Sool niet echt aan een gewone platenoplegsessie verwacht, maar de heupen willen ook wel eens wat. En zo sloffen we stilletjes van de ene tent naar de andere. Balans? Deze eerste dag was niet echt indrukwekkend, maar we hadden wel a mighty good time. Morgen meer Dour! Joey Bougard en Matthieu Van Steenkiste | foto's wannabes.be
17 juli 2008 |
Meer Dour Festival
Meer special
Meer op Goddeau.com
|
||

