Er kwamen andere tijden : protestmuziek in Vlaanderen (1964-1974) |
|
|
|||
|
Ook thematisch durfde Wannes Van De Velde het dichter bij huis te zoeken. Zo was hij zich al vroeg bewust van het belang van erfgoed, lang voordat een dergelijke term in zwang geraakte. Zo ging zijn eerste ‘protestliedje’ over de bouwpolitiek in zijn geboortestad. Om verschillende nieuwbouwprojecten te realiseren buldozerde men immers in een tabula rasa-sfeer allerlei belangrijk erfgoed omver, iets waar Van De Velde het bijzonder moeilijk mee had: “Breek het maar af, duw het maar om, dat krot, dat oud sinjorenkot” zong hij sarcastisch. De West-Vlaamse ba(a)rd Willem Vermandere wist met “Ik Plante Ne Keer Patatten”, een soort plattelandsequivalent te schrijven. Naast de oorlogszucht en allesvernietigende bouwwoede was ook de Kerk schandpaal van dienst. Het instituut verloor steeds meer zijn houvast. Kerken stroomden leeg, de eerste festivalweides vol. De hypocrisie van de Kerk en Paus werd op zijn scherpst bezongen door de kleinkunstenaar Hugo Raspoet in “Eviva Il Papa”: “En dat hij Hitler liet betijen toen die de joden heeft vermoord, dat kan ik misschien nog begrijpen: de joden hadden z'n God vermoord. Maar waarom zwijgt hij zo hardnekkig wanneer de neger wordt vertrapt, en wanneer overal ter wereld de clerus met het geld aanpapt?” Ook de vaak bezongen lossere moraal zorgde voor aanvaringen met het heilige instituut. Jan De Wilde werd door zijn dorpspastoor versleten voor pornozanger vanwege het zinnetje: “ We doen aan goede werken: we vrijen het geweld de wereld uit.” Je zou nog gaan denken dat de Kerk minder moeite had met ‘make war’ dan met ‘make love’.
Vanwege hun grote populariteit namen platenmaatschappijen protestzangers graag onder hun hoede, waardoor er een paradoxale situatie ontstond. Voor de platenmaatschappijen was immers vooral de poen belangrijk, iets waar de artiesten juist tegen zongen. Men hoedde zich dan ook voor te gewaagde teksten. Censuur door de media betekende immers minder inkomsten. Zo kon Armand zijn koffers pakken omdat hij niet goed was voor het imago van zijn platenmaatschappij Phillips, die het grote geld natuurlijk verdiende op stofzuigers en gloeilampen. Bovendien hadden ook niet alle artiesten het begrepen op de nieuwe wind. Zo zong Johnny Halliday in 1966 het anti-protestlied “Cheveux Longues, Idees Courtes”, waarvoor hij nota bene een melodie pikte van Ferre Grignard. Het langharig werkschuw tuig moest niet menen dat het veel zou veranderen met hun woorden. Misschien had Halliday hij wel gelijk. De oorlogsgeleerden hebben het alvast niet afgeleerd en soms kan een mens wel eens ontmoedigd geraken als hij rondom zich kijkt. Of zoals Dylan in de jaren tachtig zong: “Power and greed and corruptible seed seem to be all that there is…” Of toch niet? Maar dat lijkt eerder stof voor een dik boek dan voor een artikel. 13 May 2009 |
Meer
Meer artikels
Meer op Goddeau.com
|
||

