Er kwamen andere tijden : protestmuziek in Vlaanderen (1964-1974)

Er kwamen andere tijden : protestmuziek in Vlaanderen (1964-1974)  
Print
    
Pagina 1 2 3

ImageBelangrijkste van de drie is ongetwijfeld de onlangs overleden Wannes Van De Velde. Deze rasechte Antwerpenaar wist als geen ander volksmuziek te vermengen met invloeden uit de flamenco, het chanson en zelfs de Amerikaanse folkmuziek. Wederkerend thema is de enorme afkeer van discriminatie, hypocrisie en vooral oorlog. Het V2-bombardement dat hij als kind tijdens de tweede Wereldoorlog meemaakte en zijn traumatiserende legerdienst maakten van hem een echte pacifist: “De constante vernedering die ik er te verduren had, de lelijkheid van omgeving en mentaliteit, de angst voor het wapentuig en de koude ogen van de beroepsmilitairen waren een beproeving die mijn levensmoed dieper heeft aangetast dan ik zelf besefte.” Eind jaren negentig nam hij samen met Roland van Campenhout misschien wel de beste Dylan-bewerking ooit op: “Oorlogsgeleerden, genies van ’t kanon. Ge bouwt de torpedo’s en waterstofbom. Ge schuilt achter muren en achter papier, maar ik ken al uw kuren, uw stalen manier”.

Ook thematisch durfde Wannes Van De Velde het dichter bij huis te zoeken. Zo was hij zich al vroeg bewust van het belang van erfgoed, lang voordat een dergelijke term in zwang geraakte. Zo ging zijn eerste ‘protestliedje’ over de bouwpolitiek in zijn geboortestad. Om verschillende nieuwbouwprojecten te realiseren buldozerde men immers in een tabula rasa-sfeer allerlei belangrijk erfgoed omver, iets waar Van De Velde het bijzonder moeilijk mee had: “Breek het maar af, duw het maar om, dat krot, dat oud sinjorenkot” zong hij sarcastisch. De West-Vlaamse ba(a)rd Willem Vermandere wist met “Ik Plante Ne Keer Patatten”, een soort plattelandsequivalent te schrijven.

Naast de oorlogszucht en allesvernietigende bouwwoede was ook de Kerk schandpaal van dienst. Het instituut verloor steeds meer zijn houvast. Kerken stroomden leeg, de eerste festivalweides vol. De hypocrisie van de Kerk en Paus werd op zijn scherpst bezongen door de kleinkunstenaar Hugo Raspoet in “Eviva Il Papa”: “En dat hij Hitler liet betijen toen die de joden heeft vermoord, dat kan ik misschien nog begrijpen: de joden hadden z'n God vermoord. Maar waarom zwijgt hij zo hardnekkig wanneer de neger wordt vertrapt, en wanneer overal ter wereld de clerus met het geld aanpapt?” Ook de vaak bezongen lossere moraal zorgde voor aanvaringen met het heilige instituut. Jan De Wilde werd door zijn dorpspastoor versleten voor pornozanger vanwege het zinnetje: “ We doen aan goede werken: we vrijen het geweld de wereld uit.” Je zou nog gaan denken dat de Kerk minder moeite had met ‘make war’ dan met ‘make love’.

ImageNatuurlijk waren er nog heel wat geëngageerde zangers actief. Zjef Vanuytsel bezong in “De Zotte Morgen” de wilde dans der dwazen die iedere morgen naar het werk trekken. Mong Rosseel verzoende muziek, theater en engagement onder de geuzennaam Vuile Mong En Zijn Vieze Gasten. Velen van hen passeerden op Jazz Bilzen dat met festivalleuze’s zoals ‘liever lief’ en ‘wij willen vrede’ probeerde het pacifisme uit te dragen.

Vanwege hun grote populariteit namen platenmaatschappijen protestzangers graag onder hun hoede, waardoor er een paradoxale situatie ontstond. Voor de platenmaatschappijen was immers vooral de poen belangrijk, iets waar de artiesten juist tegen zongen. Men hoedde zich dan ook voor te gewaagde teksten. Censuur door de media betekende immers minder inkomsten. Zo kon Armand zijn koffers pakken omdat hij niet goed was voor het imago van zijn platenmaatschappij Phillips, die het grote geld natuurlijk verdiende op stofzuigers en gloeilampen. Bovendien hadden ook niet alle artiesten het begrepen op de nieuwe wind. Zo zong Johnny Halliday in 1966 het anti-protestlied “Cheveux Longues, Idees Courtes”, waarvoor hij nota bene een melodie pikte van Ferre Grignard. Het langharig werkschuw tuig moest niet menen dat het veel zou veranderen met hun woorden.

Misschien had Halliday hij wel gelijk. De oorlogsgeleerden hebben het alvast niet afgeleerd en soms kan een mens wel eens ontmoedigd geraken als hij rondom zich kijkt. Of zoals Dylan in de jaren tachtig zong: “Power and greed and corruptible seed seem to be all that there is…” Of toch niet? Maar dat lijkt eerder stof voor een dik boek dan voor een artikel.



13 May 2009


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com