Werchter 2009 :: De thermostaat van Antarctica

Werchter 2009 :: De thermostaat van Antarctica  
Print
    
Pagina 1 2 3 4

Dag twee :: Vleermuizen rond de Main Stage

Werchter 2009, dag twee: die van Coldplay, met een voorprogramma waar mening festivalorganisator een moord voor zou begaan. De zon trok zich al bescheidener terug achter de wolken om diverse ego's op de podia hun schittering niet te ontnemen en een fris briesje maakte alles nog net iets lichter verteerbaar.

Maar we laten ons om op te warmen gaarne een geweten schoppen door (ex-)brulboei Henry Rollins die in de Marquee aan spoken word mag doen. De man doet dat goed, maar we hebben het al eens gehoord. Twee jaar geleden op Pukkelpop bijvoorbeeld, en sindsdien regelmatig op café, dankzij gezelschap dat zijn sticking it to the Man-ismen graag van Rollins leent. Rollins vindt Amerika nog steeds een apenland, is zelf erg ruimdenkend en reist graag de wereld rond om te leren over ander culturen, maar heeft met zijn nieuwe president net iets minder om zich uitgebreid over op te winden. Boeiend en meesterlijk verteld, maar we kenden het verhaal al.

Op naar White Lies dus, dat zijn best doet om in het harde daglicht niet kopje onder te gaan. Er zijn immers betere plekken voor vleermuizengezang dan een zonnige dag op een wei waar iedereen lekker in bikini loopt te paraderen. Maar niet getreurd; Harry McVeigh zet zijn donker keelgat open en meteen omcirkelen vleermuizen het hoofdpodium. Goed, de in dit licht ontstellend jonge frontman schuift nog even van de toonladder in opener "A Place To Hide" -- dat ook sukkelt met een veel te luide bas -- maar vanaf de gothic disco van "To Lose My Life" klopt alles als een bus: de donkere bassen, de staccato gitaren en dramatische synths die samen het wel erg door de jaren tachtig geobsedeerde geluid bepalen. Niet alle nummers halen helaas de lat -- "Fifty On Our Foreheads" blijft ons met ongewenste Ultravoxherinneringen bestoken -- maar als het er op zit zoals in het erg theatrale "Unfinished Business", dan is het van wereldniveau. Nog een paar nummers als dit en het magistrale "Death", en White Lies speelt vanzelf in het donker.

Was M Ward bang van het grote Marqueepodium? Met zijn grote zonnebril (in een donkere tent!) meet hij zich alvast een ridicuul stoere pose aan die niet past bij zijn vrij traditionele rootsrock. Omringd door oude rotten, pint Ward zich zo hard vast op de traditie dat het wat belegen wordt. Enkel Conor Oberst kan dit soort dingen verkocht krijgen, en zelfs hij ging op zijn laatste plaat kopje onder in net hetzelfde meer der eenvormigheid. Americana is een beetje voorbij, jongens.

Amy MacDonald doet wat ze al vorig jaar op Pukkelpop ook al deed: een lekker wegluisterende set vol folkpop spelen, gelardeerd met onverstaanbare Schotse bindteksten en covers van The Killers (“Mr. Brightside”) en The Boss (“Dancing In The Dark”). Ze doet dat, voor zo'n vrijdagnamiddag op een onder de hitte gebukte gaande Werchterweide, niet echt slecht, maar wat dat buiten lekker wegluisteren nu precies met ons dééd, zijn we een verfrissende scheut water verder alweer vergeten. Storen deed het echter evenmin. We weten ook niet wat we daar precies mee willen zeggen: het is de hitte, excuseer.

En dan Elbow. Op het grote podium? Bij stralende zon? Met hun reputatie? Jazeker. We hielden ons hart ook even vast, maar halfweg setopener “Station Approach” hebben Guy Garvey en de zijnen alle twijfels al weggespeeld. Dankzij het charisma en de betoverende bariton van de zanger en de vanzelfsprekende muzikaliteit van de groep, dromen we weg op een golf van vrolijke melancholie. Een in verbazend grote getale toegestroomd publiek lust er eveneens pap van en zingt uitbundig mee met “One Day Like This”, tevens laatste nummer van een veel te korte set.

Even een ommetje langs The Streets, die we na twee matige albums en enkele gênante dronkemansconcerten eigenlijk al lang hebben afgeschreven. Maar we zijn er nu toch en kijk: Mike Skinner heeft er zowaar zin in, blijkt bloednuchter en krijgt de voetjes al meteen vlot van de vloer met de opgenaaide opener “Let's Push Things Forward”. De geezer, die zich op Everything Is Borrowed met matig succes waagde aan groteske beschouwingen over zaken als liefde en religie heeft vandaag zowaar zijn innerlijke straatpoëet teruggevonden. Geen hoogdravend gedoe, wel tot het extreme toe opgefokte versies van topsongs als “Fit But You Know It” en “Weak Become Heroes”.

Skinner is geweldig in vorm, wat hij onder andere demonstreert door een hoop geintjes uit te halen met het publiek. Hij stelt een toeschouwster in bikini voor om samen te strippen, gilt “Nice tits!” naar een andere en laat de hele Marquee “I love you” zeggen tegen elkaar. Hij maant zijn publiek aan tot kalmte (“go to sleep …”) en schreeuwt het vervolgens wakker (“… now wake up!”) met “Don’t Mug Yourself”. Dat werkt zo goed dat hij het trucje tegen het einde van het optreden herhaalt: eerst moet iedereen gaan zitten, alleen maar om daarna volledig loos te gaan op een speedversie van “It’s Too Late”. Als die geweldige brok emotie overloopt in een al even heftig “Blinded By The Lights” heeft Skinner het pleit helemaal gewonnen en duikt hij nog even het publiek in. Yep, dit was old skool Mike Skinner, we hebben hem verdomme gemist.

Ondanks een foutloze setlist vol onvervalste krakers als “Hunting For Witches”, “Flux”, “Banquet”, “This Modern Love” en “Like Eating Glass”, staan we bij Bloc Party voor het eerst sinds lang niet helemaal omver geblazen te wezen. Was het de hitte? Die ene keer teveel? Of zitten we gewoon spijkers op laag water te zoeken? Want het knalde. “So Here We Are” en “This Modern Love” zijn meer dan ooit uitstekende festival-anthems die vlot doorheen het publiek gonzen. En zanger Kele Okereke is eindelijk de frontman die zijn groep verdient: zelfverzekerd, relativerend en knuffelbaar tegelijkertijd, wanneer hij “Signs” opdraagt aan Eva die een bord “Thank you Bloc Party” omhooghoudt en iets later zijn lach niet kan inhouden al hij “Here's another one from the hit machine” zegt. Heerlijke band, meer dan goed optreden, maar niet de pletwals die vorig jaar in Pukkelpop over ons heen denderde, al zinderde het house-achtige pianoriedeltje van de geweldige nieuwe single "One More Chance" nog uren na in ons hoofd.

The Killers zijn dan weer overtuigender dan vorig jaar op Pukkelpop. Het is te zeggen: gesteund door een hoop decorstukken, een lichtshow recht uit thuisstad Las Vegas, vuurwerk en een onomstotelijk geloof in hun eigen belangrijkheid voor de muziek, spelen ze Werchter moeiteloos plat. 50 000 man gaat (laten we hopen ironisch) totaal uit zijn dak op “Human”, en blijft dat vervolgens ongestoord doen tot de groep het podium verlaat.

Neen, wij vinden dit niet geweldig. Ja, we vinden ook dat de heren een vijftal gewèldige songs hebben. Maar moeten die ook live overstuurd luid klinken? En dat meezingen van “I've got soul, but I'm not a soldier”: is dat gemeend? (Wij zongen voor de gein op aanraden van Bill Bailey het even nonsensicale “I've got ham, but I'm not a hamster” mee. Làchen!).

ImageNaast die vijf geweldige songs en het flirten met de zelfparodiëring, is The Killers' belangrijkste verdienste dat ze zoveel mensen hebben laten geloven dat ze ook de beste band ter wereld zijn. Het is muziek als fastfood: het kan immens smaken en zolang je weet dat het maar fastfood is, is er niks aan de hand, maar vergeet niet dat er ook lekkere én voedzame dingen zijn. Maar misschien moeten we gewoon lid worden van de "allergisch voor The Killers"-facebookgroep die blijkbaar gezellig op het persterras zat en vanaf nu onze mening over die groep enkel nog in besloten kring uiten. We willen echt geen ruzie met de tienduizenden die deze Vegas-kitsch het einde vinden.

Dan liever Coldplay, die met dezelfde leegheid en bombast flirten, maar sinds Viva La Vida weer aan de juiste kant van de grens staan. Geen idee wat ze met “An Die Schöne Blaue Donau” te maken hebben en waarom ze er in godsnaam mee geassocieerd willen worden door dat als introtape te gebruiken, maar ook hier: u vond het geweldig en brulde lustig mee. En al vallen er kritische kanttekeningen te maken, zat er bij wijlen te weinig vaart in de set en leek Chris Martin er muzikaal niet altijd helemaal bij, Coldplay mag verdiend afsluiten en zet die eer ook om in een bijna uitstekend en hartverwarmend concert. Zo'n 'Oh-ow-oow' is zeker even grote onzin als de meeste teksten van The Killers, maar aangezien het geen woorden maar klanken zijn, is dat net iets minder erg. En jawel: dan krijgt ook zo'n stoere rockjournalist kippenvel tot achter de oren. Dat was toch weer van Elbow geleden.

En daarmee had Coldplay zijn -- naar verluidt! -- anderhalf miljoen euro binnen, terwijl in de Marquee Lady Gaga voor even grote Donnamuziek zorgde. Zeiden we Donna? We bedoelen natuurlijk MNM: hitjes voor het volk, ingekleed met veel chichi en plastiek, en een beetje een zielig "maar ik ben een geschoolde artieste! Kijk mijn nummer werkt op akoestische piano!"-moment toen hitje "Poker Face" tot een kwartier werd uitgemolken; want vanzelfsprekend werd de versie-mét-beats ook afgeleverd door een Gaga in een plastieken niemendalletje, een paar dansers, en een hoop suggestieve poses. Sjah, de nieuwe Madonna, het zal wel, maar wij zaten daar niet op te wachten. "Just Dance" zong ze eerder al, maar het duurt tot zondag voor een oude bluesrot ons echt aan het shaken krijgt. Maar daarvoor moesten wel eerst nog dag drie overleven.



[avp], [evc], [jvdb], [md], [mvm] en [mvs]
8 July 2009


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com