Werchter 2009 :: De thermostaat van Antarctica

Werchter 2009 :: De thermostaat van Antarctica  
Print
    
Pagina 1 2 3 4

Dag drie :: FC De Kampioenen

Dag drie, de routinedag: we kijken niet meer op van een zoveelste chirorokje, een Hollander of de penetrerende geur van een joint. Dronken wangedrag op de wei, dat trok al eens onze aandacht, maar toch ook wel wat muzikaal lekkers. Bijvoorbeeld:

“Nog geen schaamhaar maar wel al een gitaar”, zeurt ons gezelschap: nog maar enkele minuten op de zonovergoten wei, en daar heeft een zestienjarige al het podium veroverd. Hoort die niet ervoor? Niet als het van de aanwezige bakvissen afhangt, die Jasper Erkens tijdens "Waiting Like A Dog" naar de hemel schreeuwen. Erg fijn van de jongen, maar wij blijven vinden dat hij beter beschermd zou worden tegen zijn jonge zelf, om zo rustig de tijd te krijgen te groeien. Aan zijn versie van Nick Drakes "Black Eyed Dog" houden wij toch een rare nasmaak over.

Hoog tijd dus voor het eerste pintje van de dag in afwachting van ander volwassen schoon volk. Vrouwelijk schoon volk zelfs: Regina Spektor die vooral plukt uit haar grote doorbraakplaat Begin To Hope. Het obligate koppel “Fidelity” en “Samson” werken op dezelfde manier als het volksmennende paar brood en spelen. Spektor trotseert een afgeladen Marquee daarvoor helemaal alleen, maar voor de nummers van haar -- overigens uitstekende -- nieuwe plaat Far laat ze zich nog eerst begeleiden door cello, viool en drum. En dat werkt wonderwel: een ontroerend “Eet” raakt harten, het mechanische “Machine” maakt ze opnieuw uitzinnig en single “Laughing With” blijkt ook op een festival overeind te blijven. Nog het vermelden waard: “Bobbing For Apples” dat met zijn “Someone next door is fucking to one of my songs” voor een humoristische noot tussen al die ingetogenheid zorgt.

En dan gaat het testosterongehalte even door het Marqueedak. Met reden: Yeah Yeah Yeahs gaat dadelijk stomende schoppen uitdelen in de keet en daar heeft frontvrouw Karen O, gehuld in een aandachttrekkend turkooizen legging, veel mee te maken. De groep doet voor deze tour een beroep op levende legende David Pajo als toetsenist, om af te wisselen tussen snoeiharde rocksongs als “Phenomena” en meer dansbare nummers als “Shame And Fortune”. De norm blijft vooral hard en luid, waardoor de zang van O soms wat bedolven wordt en het veel rustigere “Skeletons” er in het midden van het optreden uiteindelijk wat de vaart uithaalt. Maar dat is muggenziften: Yeah Yeah Yeahs bracht een erg opzwepend optreden.

Om eerlijk te zijn: wij waren Limp Bizkit al een beetje vergeten, maar vijf jaar stilte was blijkbaar niet genoeg. U stond er massaal en u kende die puberale teksten nog steeds uit het hoofd. Toegegeven, de loodzware riffs die de volledig gebodypainte Wes Borland uit zijn gitaar perste, waren af en toe reuzeaanstekelijk, maar als Fred Durst zijn bek opentrekt, is het onherroepelijk om zeep. Jawel; goed tegen zijn veertigste aanlopend (was dat sikje grijs, or was it just a trick of the light?) loopt zijne potsierlijkheid nog steeds rond in het highschooluniform van de jaren negentig met een baggy short en even ruim zittend T-shirt. En laten we het rode petje niet vergeten, alstublieft. Dat vooral niet. Zucht. Mag het nu opnieuw voor vijf jaar de kast in? Please?

Alweer een frisse pint -- afkoelen was nodig -- en naar het hoofdpodium voor het besef dat Franz Ferdinand langzamerhand het FC De Kampioenen van dit festival blijkt: er wordt geteerd op herhaling maar er blijft wel steeds een publiek voor. Dat krijgt dan ook wat het verwacht: Alex Kapranos en co nemen ons mee van single naar single en zelfs al zijn we sommige nummers echt beu gehoord; resistance is useless. Eventjes zonder morren alle neuzen in dezelfde richting als de massa op de wei, want meezingen en -klappen is hier voor één keer wel toegestaan.

Met opener “Walk Away” schieten de Schotten traag uit de startblokken, maar “Matinee” drijft het tempo op. Gitarist Nicholas McCarthy lijkt alles strak in banen te leiden en bouwt een feestje rond publiekslievelingen als “This Fire”, “Do You Want To”, “Take Me Out” en “Michael”. Wie er in slaagt zulke succesvolle singles te schrijven, kan bijna niet anders dan het publiek herhaaldelijk te geven wat het wil. Maar zo evident lijkt het niet: nieuwe nummers als “Ulysses” en “What She Came For” lijken op het restresidu dat achtergebleven is in een zeef waar we net alle vloeistof door gegoten hebben, maar die rest is helaas net niet genoeg om aan een nieuwe invulling van de formule te voldoen. Dit was Franz “we doen nog es een festivalleke” Ferdinand en dat is ook wel leuk, maar we doen er goed aan de houdbaarheidsdatum niet uit het oog te verliezen.

Dat er ongeveer geen hond geïnteresseerd was in Mogwai hebben de Schotten alleen maar aan zichzelf te danken: net dat rotslecht optreden te veel gegeven de laatste jaren, en hadden we al niet collectief besloten dat postrock een stinkend kadaver was? U had vaaglijk ongelijk, want er waren levens gebeterd: dwars doorheen het kabaal van Franz Ferdinand werd deze wedstrijd Schotland-Schotland op punten gewonnen door de Marquee. Al is daarvoor vooral het oude werk nodig. Het nog steeds erg doorleefde "Yes, I Am A Long Way From Home", bijvoorbeeld, of "Helicon 1". En als het allemaal net iets te ingetogen aan het worden is barst "Summer" loeihard uit. Jawel; muziek kan heerlijk zijn, en Mogwais revanche verdient dat predicaat. Opmerkelijk trouwens: dit moet het eerste Mogwaiconcert van vele zijn dat de groep noch op rockmonsters "Fear Satan" of "My Father, My King" terugviel. Oude gewoonten sterven traag, maar deze moest er dan toch aan geloven.

ImageAls Leonard Cohen niet op Hermans jaarlijkse tuinpartijtje kan komen (hij speelt die avond zelf al in het Sportpaleis), stuurt hij zijn even goddelijke gezant wel naar de wei. Eindelijk is het langverwachte moment dat Nick Cave & The Bad Seeds het podium betreden aangebroken (zijn we fan? Ja; we zijn fan. U niet dan?): dit keer geen Grinderman, dit keer geen snor, dit keer zelfs geen Mick Harvey. Een preekstoel ontbreekt vooralsnog op het podium maar wanneer hij een scherp “Tupelo” inzet, blijven Caves gedragingen nog steeds schrikwekkend bezield. Gods oppervleermuis grijpt vooral naar de verwachte hoogtepunten uit zijn carrière als “The Mercy Seat”, “The Ship Song” en “The Weeping Song”, maar echt indrukwekkend zijn het aan PJ Harvey opgedragen “Henry Lee”, het vuile “Stagger Lee” en bis “Lucy” dat godzijdank door Cave zelf nog es werd bovengehaald. Dit is pure verwennerij door één van onze favoriete Australiërs die zo te zien in degelijke vorm is, en God mag weten waar we dat aan verdiend hebben; zulke brave zieltjes zijn we nu ook weer niet, want zie, onze hebzucht neemt al gauw de overhand: we verlangen alweer naar nog meer en nog ietsje beter.

Heiligschennis! Kings Of Leon mogen op na Nick Cave en ergens voelt dat zeer fout aan. Maar wanneer de vier Followills de wei plaat doen gaan met kleppers als “Sex On Fire” en “California Waiting”, mag duidelijk zijn dat ze hun status van headliner op deze derde Werchter-passage meer dan verdiend hebben. Het viertal speelt met zoveel kracht en overtuiging dat de wisselvalligheid van de laatste plaat graag vergeven wordt.

Fuck Madonna trouwens: de leukste vijftigplusser die deze zomer het gras van Werchter zal betreden is eightieslegende Grace Jones. La Jones presteert het om veertig minuten te laat uit de lucht te komen vallen, mét hanenkam en een cool die de thermostaat in Antarctica nog een graad of twintig lager draait. De onweerstaanbare hits -- “Strange”, “La Vie En Rose” , “Pull Up To The Bumper” en de geweldige Roxy Music-cover “Love Is The Drug” -- volgen elkaar op terwijl het gebeente (Waren wij enkele weken geleden onder de indruk van die van Duffy? We herzien onze mening.) van outfit wisselt als een ander van gitaar. Boys Noize of 2ManyDjs? Nee bedankt, wij hebben genoeg gedanst voor een hele nacht. Slaapwel en tot morgen!



[avp], [evc], [jvdb], [md], [mvm] en [mvs]
8 July 2009


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com