Glasgow: het Braveheart van de muziekindustrie |
|
|
|||
![]() Overal in Glasgow klinkt muziek. Het houdt haar inwoners binnen en beschut hen tegen de regen. Komend weekend wordt tijdens het evenement Homecoming Live hulde gebracht aan het muzikale erfgoed waarvan Glasgow dé voedingsbodem is. Simple Minds, Primal Scream, The Jesus and Mary Chain, Mogwai, Belle & Sebastian of Glasvegas: ze nemen verschillende plekken op de tijdsbalk in, maar allemaal hebben ze hun afkomst gemeen. Al decennia lang levert Glasgow consistent sterke en invloedrijke bands af, en dat is geen toeval. Achter de stad schuilt een soepel draaiende productieband, door de Glaswegians zelf in elkaar getimmerd. Het verhaal van twintig jaar hard werken, of hoe Glasgow de tweede muziekstad van het Verenigd Koninkrijk werd. Er zijn heel wat verschillen tussen enerzijds Edinburgh, de fiere hoofdstad met traditionele bouwwerken, waaronder het befaamde kasteel, en anderzijds Glasgow, met meer inwoners, een geschiedenis als industriestad en een alternatiever imago. Vroeger werd het verschil duidelijk gemaakt als a white-collar town versus a blue-collar town, maar van een minderwaardigheidscomplex heeft Glasgow vandaag geen last meer. De stad heeft onmiskenbaar het etiket hip op zich kleven dankzij een uitgebreid cultuuraanbod, boeiende architectuur (Charles Rennie Mackintosh) en een gedreven muziekscene met veel bars en clubs. Vorig jaar riep UNESCO Glasgow zelfs uit tot City of Music. Zeiken op "Wonderwall"In 1990 was er nog een lange weg af te leggen. Stuart Clumpas, toenmalig baas van de Schotse concertpromotor DF Concerts (verantwoordelijk voor T in the Park, The Edge Festival en Connect) was op zoek naar clubs waar hij iedere dag van de week nieuwe bands kon voorstellen. Toen hij die niet vond, besloot hij er zelf een te starten: King Tuts Wah Wah Hut. De kelder in St. Vincent Street groeide dankzij een gevarieerd programma snel uit tot een populaire plaats voor muziekliefhebbers. De organisatie pakte vaak uit met bands die op de rand van de doorbraak stonden. Het beste voorbeeld hiervan is Oasis, dat ter plaatse een platencontract onder de neus geduwd kreeg. Het urinoir van de club werd zelfs naar een nummer van de band vernoemd: mannen pissen er tegen de "Wonderwall".
Chemikal UndergroundHalfweg de jaren negentig vinden The Delgados niet meteen een label dat op dezelfde golflengte zit om hun muziek uit de brengen. Ze hebben geen zin om bij de pakken te blijven zitten en starten een eigen label, Chemikal Underground. Dat dient niet alleen om hun eigen muziek uit te brengen, maar ook die van andere bands waar ze heilig in geloven. De eerste release, Kandy Pop van Bis, verkoopt onmiddellijk uit. Met dat geld brengt Chemikal Underground het debuut van The Delgados uit én dat van Arab Strap, ook uit Glasgow. Wanneer CU ook nog eens het tot dan toe onbekende Mogwai aantrekt, geniet het label binnen de kortste keren een sterke reputatie binnen de muziekwereld. 25 November 2009 |
Meer
Meer artikels
Meer op Goddeau.com
|
||



King Tuts, met een gezellige capaciteit van 300 mensen, werd al snel een lichtend voorbeeld voor nieuwe clubs. Er waren genoeg leegstaande panden uit het industriële verleden om een herbestemming te geven, zodat er vandaag, met locaties als Nice N Sleazy, Brel of ABC, tientallen alternatieven zijn. Tel daarbij de vele caféoptredens en je komt aan een hoge concentratie livemuziek. Ondertussen gaat King Tuts ook met zijn tijd mee: het ontwikkelde een netwerk voor onafhankelijke artiesten en bands zonder contract (Your Sound) en het helpt beginnende bands met opnames (King Tuts Recordings).