Iggy & The Stooges: Raw Power (1973), geweld en koppijn

Iggy & The Stooges: Raw Power (1973), geweld en koppijn  
Print
    
Pagina 1 2

Het is niet het beste rockalbum van de jaren zeventig. Het is niet eens de beste plaat van The Stooges (die titel zit vastgeroest in de handen van Fun House). Maar dat Raw Power nog even onder de aandacht wordt gebracht met een 2CD Legacy Edition, is niet meer dan normaal: ondanks al z’n tekortkomingen en tumultueuze voorgeschiedenis is dit een sleutelplaat in de geschiedenis van de rock-’n-roll. Zeker met Dafalgan binnen handbereik.

Image

I’m a streetwalkin’ cheetah with a heart full of napalm
I’m a runaway son of the nuclear A-bomb
I am a world’s forgotten boy
The one who searches and destroys

Iedere zichzelf respecterende rockfanaat kent deze woorden van buiten. Het zijn immers de openingsregels van "Search & Destroy", want ons betreft nog steeds een van de meest overweldigende, pure rock-’n-rollsongs, een ode aan de vernielingszucht die altijd inherent was aan de kunstvorm. Als je eens rond je kijkt en vaststelt dat veel hedendaagse tandenloze punk aan de man gebracht wordt als rebellie en eigenlijk even opwindend is als de duffe dertigersrock die dezer dagen de radiogolven domineert, dan is het haast verbijsterend hoe wild en ongecontroleerd "Search & Destroy" om zich heen stampt. De song klinkt alsof de bandleden voor de opnames de studio betraden als was het een afvalrace op leven en dood en zwaar gehavend, maar mét de titel, de studio verlieten. "Search & Destroy" is oorlog. Bloed, seks en slechte voornemens in één.

Als de overige zeven songs van dat kaliber waren, dan zou Raw Power de sterkste plaat aller tijden geweest zijn. Of het zou toch niet veel gescheeld hebben. Zoals het er nu voor staat is het echter het onbetwistbare hoogtepunt op een album dat bij nader inzien vooral uitblinkt in onevenwichtigheid, rommeligheid en vuiligheid. Dat heeft ook z’n charme en het benadert de essentie van Satans favoriete uitlaatklep, maar er zullen niet veel zielen zijn die de verdorven brokken van "Penetration", "Shake Appeal" en "Death trip" een onsterfelijkheid toekennen. Zoiets zou niemand ook verwacht hebben, want het inderhaast bij elkaar getrommelde zootje dat dit album opnam stond niet meteen bekend als een band waar je in die periode op kon rekenen. Tenslotte was er ook nog de sound, die verantwoordelijk is voor een groot stuk van de beruchtheid en aantrekkingskracht van Raw Power.

The Stooges was uitgedraaid op een kermis van labiel gedrag en druggebruik na de release van Fun House en Iggy Pop trok naar Engeland om er rond te hangen in de entourage van z’n vriend David Bowie, op dat moment in z’n eerste glorieperiode. Bowie zorgde ervoor dat James Williamson en Pop zich thuisvoelden en bezorgde de twee een platendeal bij Columbia. Toen het er echter op aan kwam om een ritmesectie te verzamelen, bleek er geen goed volk te vinden te zijn. Het resultaat: Ron en Scott Asheton werden overgevlogen om een nieuwe plaat in te spelen met Pop en Williamson, die intussen gepromoveerd was tot eerste en enige gitarist.

Bowiemix vs. Popmix

Het resultaat van de opnames in september en oktober van 1972, waarvoor Iggy zelf zou fungeren als mixer en producer, zou decennia controversieel blijven. Je zou immers kunnen zeggen dat de versie van Raw Power die in 1973 in de winkels lag wansmakelijk klonk. Er waren eerder al albums verschenen die bijzonder rauw of dunnetjes klonken (Back in the USA van MC5 is nog zo’n berucht voorbeeld), maar het ziedende Raw Power sloeg werkelijk alles. De resultaten van Pops werk waren naar verluidt zo belabberd dat Bowie ingehuurd werd om het hele album, op "Search & Destroy" na, opnieuw te mixen. Die geluidsmix bepaalt voor een groot stuk de glorie die het album ten beurt is gevallen, want het is de sound die ervoor zorgt dat het album zo verdorven en onsamenhangend klinkt. En vooral: gewelddadig.

Het is echt niet vreemd dat een kerel als Henry Rollins SEARCH & DESTROY op z’n rug liet tattooeren. Zoals de song te horen is op het album, kan je immers niet enkel dan een gemene grijns op je gelaat krijgen. Bas en drums werden helemaal naar de achtergrond geduwd (een spijtige zaak, omdat Ron Asheton naast een geweldige gitarist ook een uitstekende bassist was), gitaar en zang gingen volledig in het rood. Dat valt in de eerste seconden van de song niet op, maar dan, als Williams aanslaat voor die "Honey, gotta help me please", dan is die kervende, schelle sound prominent. Pijnlijk overheersend. Zo’n onevenwichtig resultaat zou nu geen studio verlaten, laat staan op de radio komen, maar destijds geraakten ze ermee weg. Het versterkte enkel maar het met-getrokken-messen-sfeertje dat sommige songs uitademden. Het was apocalyptisch, hysterisch, op de grens van de waanzin.

De rest van het album vaart er niet ’beter’ bij: het is overduidelijk dat Pop z’n boeltje sowieso niet erg onder controle had (de zang op "Your Pretty Face Is Going To Hell" is niet die van een evenwichtige persoonlijkheid, iets dat enkel versterkt werd door die vreemde mix). De sound was onevenwichtig, verschilde van song tot song, viel soms volledig weg ("Death Trip" mankeert hier en daar gitaar) en verschoof soms zelfs binnen een en dezelfde song. Ten tijde van de release (voorjaar 1973) was dit van een ongehoorde smeerlapperij. Wie het de dag van vandaag opzet, die zal aanvankelijk vooral de schouders ophalen, want het lijkt immers in niets op de met steroïden volgepompte gitaarplaten van dit tijdperk, maar je kan niet langs de lillende, viscerale kracht van Raw Power, een onmiddellijkheid die in 2010 zelden te bespeuren valt.



9 June 2010


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com