Jazz Middelheim, 12 augustus 2010, Park Den Brandt

Jazz Middelheim, 12 augustus 2010, Park Den Brandt  
Print
    
Pagina 1 2
Image

Hoewel hij energieker speelde dan enkele jaren geleden in Gent, liet hij de sax (tenor/sopraan) regelmatig links liggen om te zingen. En dat is geen goed idee, want Shepp kan bezwaarlijk een begenadigd zanger genoemd worden en kan het niet laten om vervaarlijk dicht bij de zelfparodie en het clowneske te komen. Die humoristische inslag werd gesmaakt door een groot deel van het publiek, maar kreeg naarmate de set vorderde een weeë bijsmaak. Samen met Roswell Rudd (die er ook al bij was op Four For Trane uit 1964!) waagde Shepp zich aan Ellington en een resem andere songs uit het swingtijdperk, waarbij het soms leek alsof je naar een Benny Carter-concert aan het luisteren was.

Allemaal goed en wel, maar het gewauwel over een “revolution” stond haaks op het gejodel over een “funky mama”, en dat terwijl de ritmesectie weinig moeite deed om inventief aan de slag te gaan, Rudd met z’n rauw geschetter de boel niet kon redden en percussionist Leon Parker het geheel soms een pseudo-exotisch sfeertje gaf dat eerder irriteerde dan intrigeerde. Er zaten enkele degelijke momenten verscholen in de set (zoals toen Shepp vanachter de piano duetteerde met Roswell), maar eigenlijk was dit vooral een onsamenhangende en weinig geïnspireerde set die krampachtig teruggreep naar Shepps roots en moeilijk te verenigen viel met zijn imago als boegbeeld van the New Thing.

Het laatste concert was voor pianist McCoy Tyner (foto), opnieuw een jonge zeventiger, die als snotneus mocht aantreden in het Coltranekwartet van de vroege jaren zestig, vermoedelijk het meest legendarische combo uit de jazzgeschiedenis. Werken in de schaduw van de meester heeft onvermijdelijk z’n nadelen: zo was Coltrane’s overdonderende stijl en gewicht zo dominant dat het een pianist ongetwijfeld confronteerde met een aantal beperkingen, maar het zorgt er ook voor dat je als muzikant al eens over het hoofd gezien wordt.

De extatische jazz van begin jaren zestig moesten we dus niet verwachten (Tyner was immers ook eerste om het schip te verlaten toen Coltrane steeds radicaler werd) en die kregen we ook niet. Het hielp alleszins ook niet dat het concert van start ging met een ontstellend zwakke geluidsmix, waarbij bas en piano zo goed als onhoorbaar waren, de simbalen van drummer Eric Gravath enorm uitversterkt waren en de tenorsax van gast Joe Lovano een lelijke metalige bijklank kreeg. Het beterde allemaal naargelang de set vorderde, al zou het een struikelblok blijven dat enkel minder opviel tijdens de solomomenten. Die waren er regelmatig, van alle betrokkenen, maar ook hier vielen er weinig hoogtepunten te rapen. De ritmesectie speelde vrij anoniem (hier geen spannende interactie zoals bij de openers) en Tyner speelde een beetje zoutloos.

Z’n spel was verrassend ingetogen en genuanceerd, dat wel, al vroeg je je constant af of het gebrek aan sprankeling te maken had met ‘s mans stijl of het zwakke geluid. Dit was geen muziek die ergerde, wat soms wel het geval was bij het concert van Shepp & Co., maar ook zelden wist te beklijven. Gedachten dwaalden af en soms passeerden volle minuten in een waas. Lovano, toch een van de meest gerespecteerde saxofonisten van zijn generatie, probeerde wat vuur in de vlakke set te brengen, maar het mocht niet baten. De sfinxfiguur Tyner, die met z’n petje wel heel erg veel leek op wijlen Ibrahim Ferrer, speelde aardige, serene muziek die nooit bij de lurven greep zoals die van zijn voormalige compagnon en broodheer.

Kortom: de jonkies bevestigden en de veteranen konden de hoge verwachtingen niet inlossen. Je mag natuurlijk niet verwachten dat muzikanten die geboren zijn in het vooroorlogse tijdperk nu nog altijd de gedrevenheid en rebellie aan de dag kunnen leggen waar ze ooit faam mee maakten, net zoals je ze moeilijk kan verwijten om terug te grijpen naar modellen en invloeden die onlosmakelijk deel uitmaken van de (vroege) jazzgeschiedenis, maar ergens hoop je dan toch dat het live vuurwerk oplevert, of op z’n minst weerhaakjes, plaagstootjes of slinkse momenten waarbij de oude vos z’n streken even toont. Die momenten waren nu veel te weinig. Benieuwd of Ahmad Jamal (80) en Wayne Shorter (76) daar wel in slagen op Dag 2.



Guy Peters | foto's Jos L. Knaepen
13 August 2010


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com