Jazz Middelheim, 12 augustus 2011, Park den Brandt

Jazz Middelheim, 12 augustus 2011, Park den Brandt  
Print
    
Pagina 1 2
Image

En dan is er natuurlijk nog Bert Joris. De man moet zo ongeveer gezegend zijn met de mooiste trompetklank van de lage landen en beschikt over een indrukwekkend melodisch vernuft. Zowel in het intussen al klassiek geworden “Magone” als met “Triple” (een nummer opgedragen aan zijn kat – “Hij leeft nog, maar is wel wat vetter geworden”) neemt hij het voortouw in bezielde en verfijnde composities en solo’s die complexiteit en puurheid combineren met een zeldzame klasse. Maak er een Amerikaan van en hij wordt een ster. Het blijft bovendien ook een charmante leider, met een wat houterige, maar oprechte en grappige stijl die ook lijkt over te slaan op zijn muzikanten, die zich stuk voor stuk te pletter lijken te amuseren, getuige de breed lachende gezichten en wiegende lichamen tijdens het concert.

En het mag tenslotte ook duidelijk zijn dat dit niet de Bert Joris Band is, want zowat alle solisten krijgen de kans om te schitteren. Vaganée’s sopraansaxsolo in “Triple” was zo’n straf moment, net als Loriers’ spel op Rhodes in de opener en de bassolo van Jos Machtel aan het begin van “Connections”. Met “Signs And Signatures” werd een aanstekelijk en vurig einde gebreid aan een al uitstekend concert, dat uiteindelijk de kers op de taart kreeg met het nieuwe “Only For The Honest”, dat het publiek achterliet met mijmerende lyriek die zorgde voor een perfect bruggetje naar het slotconcert van de eerste dag.

Sinds Toots Thielemans peter werd van het festival in 1981 is hij er jaarlijks bij en naar goede gewoonte daalt er een gewijde sfeer neer over de tent als Jean-Baptiste het podium opstapt. Het had meteen ook iets van het bezoek van Sonny Rollins op de voorbije Gent Jazz-editie. Het was een op voorhand gewonnen match die niet kon mislopen zolang de held er in zou slagen om lucht door het instrument te persen. Thielemans doet wel meer dan dat, want bij momenten leek het alsof hij z’n adem (letterlijk en figuurlijk) teruggevonden had na de wat moeizame passages van de voorbije jaren. Dat hij bovendien niet z’n European Quartet bij had, maar oude vriend Kenny Werner (piano) en de Braziliaanse grootheden Oscar Castro-Neves (gitaar) en Airto Moreira (percussie) deed het veel goeds vermoeden. Helaas zou het anders lopen.

De eerste drie kwartier speelde het kwartet vooral de kaart van de zeemzoete, bossagetinte jazz standards uit, waarbij Moreira eindeloos bleef herhalen op hi-hat-motiefjes en Castro-Neves vooral niets deed dat de gemoederen uit balans of Toots uit z’n concentratie zou kunnen brengen. Werner speelde ook functioneel, maar liet nu en dan wel een glimp zien van z’n individuele klasse, met een linkerhand die virtuoos bleef dwarrelen. Helaas had de man het ook nodig geacht om een synthesizer mee te brengen die klanken voortbracht die sinds de vroege jaren tachtig vervloekt worden. Je kreeg spontaan waanbeelden van benevelde boomgaarden waarin halfnaakte jonge vrouwen wulps giechelend in een kringetje dansten met bloemen om het hoofd en glinsterende dauwdruppels in hun donzige schaamhaar. Het was de soundtrack bij Bilitis: klef, overdreven gesuikerd, met cosmetisch aangebrachte exotica.

Zoals verwacht waren er ook enkele solomomenten: Moreira deed iets met tamboerijn en stem, waarbij hij dreigde uit te pakken met Mongoolse keelzang (helaas vormde het een veel te grote breuk met wat voorafging), Castro-Neves speelde Jobims “The Waters of March” (zo’n beetje het officieuze Braziliaans volkslied), Toots liet in zijn versie van Monks “’Round Midnight” horen dat hij nog altijd het talent heeft om een stuk te ontmantelen vanuit onverwachte hoek en Werner maakte even indruk op piano. “Bluesette” (in bossagetinte versie) mocht natuurlijk niet ontbreken, net als Armstrongs “What A Wonderful World”, dat opnieuw de nek omgewrongen werd door bakken pathetiek en die verrekte synthesizer.

Het is moeilijk om kritiek te hebben op Thielemans en niet als een cynische lul over te komen. Een kwaad woord over deze man z’n muziek vertellen (idem voor Sonny Rollins) voelt aan als landsverraad, als zeggen dat je niet van jazz houdt, als beweren dat levensvreugde geen plaats hoort te hebben in de wereld, laat staan in muziek. Als Toots ontroerd het publiek bedankt en “Ik hoop dat ik nog een paar jaar kan meedoen” verzucht, dan is dat een gegarandeerd krop-in-de-keel-moment voor velen. Het is inderdaad te hopen voor Toots en z’n vele fans dat hij er nog een tijdje bij kan zijn, maar sta ons dan toe om onze verwachtingen wat bij te stellen voor de toekomst.



Guy Peters | foto's Geert Vandepoele
13 August 2011


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com