Jazz Middelheim, 13 augustus 2011, Park den Brandt

Jazz Middelheim, 13 augustus 2011, Park den Brandt  
Print
    
Pagina 1 2
Image

Opener “Sother” pakte meteen uit met die voluptueuze sound, met pizzicato bespeelde strijkers, de meteen herkenbare surfgitaar van Marc Ribot en de swingende en dansende ritmes van Baron (zet een optreden lang een camera op ‘s mans hoofd en een grijns is niet van je gezicht te krijgen) en Baptista. Meteen valt ook op wat een veelheid aan invloeden deze uitvoeringen bevatten: zitten de strijkers van “Dalquiel” op het terrein van de meeslepende kamermuziek en wordt geflirt met de tango in “Kochot”, dan vloog het korte, driftige “Karet” – een afmattende turbosparring voor de strijkers en Baron – meteen in de richting van de knetterende gekte. Dat is trouwens een compositie die, net als het erop volgende “Hazor” en “Kisofim”, ook al terug te vinden was op de dubbelaar The Circle Maker (1998), waarmee er ook ouder werk aan bod kwam.

Terwijl je zou kunnen zeggen dat binnen dit Sextet een grotere controle van de componist heerst dan bij Masada, en bijgevolg een beperktere vrijheid voor de muzikanten, werd hier toch gemusiceerd met een uitgelatenheid en aanstekelijke naturel die ronduit schitterend was. Elke muzikant kreeg daarbij regelmatig de kans om het voortouw te nemen, al dan niet opgejut door Zorn, wat bij momenten voor ronduit spectaculaire resultaten zorgde, zoals het furieuze gitaarspel van Ribot en de divers ingevulde wisselwerking tussen Feldman en Friedlander (van luchtig tokkelen tot sierlijk strijken en agressief schrapen). De tent stond op z’n kop, de band kreeg een staande ovatie en reageerde door er met een walsend bisnummer nog een hoogtepunt aan te breien. De lat was gelegd.

En later bleek dat zelfs het Masada Sextet – het kwartet Zorn, Baron, Cohen en trompettist Dave Douglas, aangevuld met percussionist Baptista en pianist Caine – dat zelfs niet zou kunnen overklassen, al leidde het bijna tot een evenaring van dat niveau. Ook bij Masada enkele oude knallers die al sinds midden jaren negentig meegaan, maar hier en daar wel in bijzondere uitvoeringen. Het was ook een verrassing om de band meteen van leer te horen trekken met een wilde opener, waarbij de kaart van de grilligheid getrokken werd, met nerveuze erupties die voorzien waren van een speelsheid en spontaniteit die in zijn latere werk minder te horen is dan in de pioniersdagen. Masada plukte uit Lucifer, maar eveneens passeerde ouder werk, soms in een gewijzigde variant. Zo kreeg Caine de kans om “Haamiah” op gang te brengen, dat snel al verder ging met die kenmerkende dubbele frontlinie van Zorn en Douglas, die nu eens op een lijn liggen en dan weer rond elkaar vervlochten zitten in een eindeloze reeks variaties en verschuivingen.

De rol van Caine en Baptista woog trouwens niet op tegen de bijdragen van de originele leden. Meer nog: hoewel de extra percussie het allemaal wat exotischer maakt en Caine het geheel soms zelfs iets meer in de richting van de meer traditionele jazz leek te stuwen, verliest Masada vooral aan explosiviteit door niet in originele bezetting te spelen, waarbij elk lid een evenwaardige bijdrage kan leveren. Al blijft het natuurlijk een festijn om Douglas door de knieën te zien buigen met spel dat nu en dan wat deed denken aan z’n Brass Ecstasy-project en Baron naar goede gewoonte te horen (én zien) soleren tijdens klassieker “Beeroth”. “Psisya” zorgde voor een prachtig moment van ingetogenheid in een set die eigenlijk de bovenmenselijke vurigheid van de meest legendarische Masada-concerten ontbeerde.

Kortom: het Sextet bewees in staat te zijn om bevlogen en virtuoze concerten te kunnen spelen, met twee vingers in de neus zelfs, want daar zorgen de individuele kwaliteiten en composities wel voor. Anderzijds kan je niet echt beweren dat de uitbreiding ook een verbetering is, hoe indrukwekkend bisnummer “Idalah-Abal” ook mocht zijn. Een evenaring van de triomf van 1999 zat er dus niet in, maar als je het dan van op afstand bekijkt, dan besef je weer dat een spetterend concert van deze kerels nog steeds van een niveau is dat velen ambiëren, maar weinigen bereiken. Het sloot de festivaldag dan ook af met een zoveelste hoogtepunt.

Alhoewel, het zat er nog niet helemaal op, want Zorn speelde om middernacht nog een orgelconcert voor beperkt publiek in een Protestantse kerk. Met de kap van z’n hoodie over het hoofd getrokken zeeg hij neer achter het orgel en ging meteen van start met een drone van ronkende baspedalen. Meteen kreeg je het gevoel terechtgekomen te zijn in een van de omgevingen die je die dag niet eerder hoorde: die van de magick, de sinistere albums waarbij alchemie en transgressieve verwijzingen bepalend zijn. Zorn speelde een goed halfuur ononderbroken, en het leek wel alsof hij continu de mogelijkheden van het instrument zat uit te testen, door te werken met verschuivingen, aanzettingen en soms abrupte contrasten.

Het sloot aan bij de onheilszwangere bewerkingen van klassieke componisten die je op albums als Naked City’s Grand Guignol en het hoorspel Elegy kon horen, waarbij hier en daar een flard melodie te ontwaren viel, maar vooral gespeeld werd met dynamiek. Door de snelle opeenvolgingen van bewegingen leek het stuk aanvankelijk samenhang te missen, al werd gaandeweg duidelijk dat het ging om meer dan zomaar een vrijblijvende oefensessie. Het ingetogen einde zorgde zelfs voor een moment van pure schoonheid.



Guy Peters | foto's [gp] / Archief Geert Vandepoele
14 August 2011


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com