Jazz Middelheim, 14 augustus 2011, Park den Brandt

Jazz Middelheim, 14 augustus 2011, Park den Brandt  
Print
    
Pagina 1 2

Terwijl de vermoeidheid stilaan begon toe slaan was het ineens op de koppen lopen in Park den Brandt, dat in de namiddag al zinderde van anticipatie voor het concert van Jamie Cullum, de Peter Pan van de jazz (of toch van iets). Van het consistent hoge niveau van de Zorn-dag was deze keer echter geen sprake. Het was van een grilligheid die zelfs de Belgische beurs recent niet meemaakte.

Image

Net als tijdens de vorige festivaledities werd ook deze keer een project georganiseerd waarbij Jazz Middelheim en de Artesis Hogeschool Antwerpen de handen in mekaar slaan voor een concert van jonge muzikanten die een tijdlang coaching krijgen van een gerenommeerde klepper. Terwijl ‘Le Pragmatisme du Barman feat. Peter Evans’ vorig jaar een veelbelovend idee leek op papier, mankeerde de uitwerking wat durf om van een echt succes te kunnen spreken. Dit jaar kregen de jongelingen, verzameld als het Pocket Jazz Orchestra, niemand minder dan Dave Douglas op bezoek, misschien wel de belangrijkste trompettist van zijn generatie en een muzikant die de avond ervoor nog schitterende aan de zijde van John Zorn.

Helaas moesten we het eerste deel van het concert missen, maar op basis van wat we meepikten bleek dat de oefensessies in april hun effect niet gemist hadden. De band speelde een heel solide, soms zelfs verrassend avontuurlijk concert en baande zich een weg door de rijke en gevarieerde composities. Daarbij vielen ook de weelderige arrangementen op, die figuren als baritonsaxofonist Vincent Brijs en vooral altsaxofoniste Marjan Van Rompay de kans gaf om te schitteren. Van die laatste horen we ongetwijfeld nog meer. Douglas was duidelijk tevreden met de resultaten, en dat met recht en rede: het was een charmant en veelbelovend optreden dat in z’n beste momenten verwees naar het Liberation Music Orchestra, dat aantreedt op de slotdag. Een referentie die kan tellen.

Het broodje van Lady Linn & Her Magnificent Seven is intussen al gebakken. Op vrij korte periode is Lien De Greef er in geslaagd om te evolueren van ‘dat meiske met de ouderwetse jazznummerkes’ tot een volwaardige diva die voluit het publiek durft bespelen op middelgrote festivals. Daarbij wordt ze ondersteund door een enthousiaste, goed gerodeerde band, die meteen ook aardig de hoogte in geduwd werd door de mix en het volume in de tent. En het is allemaal heel complexloos, met muzikanten die zich uit de naad werken om het feestje aan de gang te houden en de heupwiegende zangeres te laten schitteren. Ze had het aanvankelijk wat moeilijk: de eerste tien minuten leek de stem wat onvast en het duurde even voor ze los begon te komen. Ook daarna bleef echter de gedachte sluimeren dat ze eigenlijk nog iets tekortschiet om het hoogste niveau te bereiken, en het soms wat nasale stemgeluid een verworven smaak is.

Image

Zoals te verwachten viel zat de meest traditionele jazz heel vooraan in de set, om dan snel over te schakelen naar songs die een pak dichter bij de pop- en soulwereld zitten. Het trio “Anything For You”, “Good Old Sunday Blues” (inclusief lekker ronkende baritonsax) en “That’s Alright” was een hattrick waarmee ze het publiek al deels voor zich kon winnen. Dat publiek werd bovendien getrakteerd op een volledig a capella gezongen nummer en werd tijdens succesnummer “I Don't Wanna Dance” (opmerkelijk vroeg in de set al) gevraagd om mee te klappen en te zingen. Iets waar lijfstraffen op horen te staan, maar soit. Het kon ook niet voorkomen dat de rek er snel uit was, want intussen was duidelijk geworden dat Linn & co. net iets te trouw blijven aan een bekende formule om écht te verrassen.

Ja, de zanglijnen zijn catchy, en ja, hier en daar spatte de energie van het podium, maar toch bleef dit allemaal erg braaf ter plaatse trappelen. De laatste jazzpretentie werd trouwens volledig overboord gegooid in het slotkwartier, dat gedomineerd werd door een versie van Katy B’s “Katy On A Mission” en een gespierde souluitvoering van “Love Affair”, dat het optreden alsnog een geslaagde climax bezorgde. Lady Linn maakt aardig wat indruk bij een publiek dat vooral opgedaagd was voor die andere popkoning en zou er misschien niet slecht aan doen om te polsen of daar geen voorprogramma te regelen valt.

En dan something completely different, een stijlbreuk van jewelste tussen de twee populaire jongelingen. Cru gesteld was dit het moment waarop het verschil tussen ‘naar de traditie lonken’ en ‘de traditie zijn’ duidelijk werd. New Orleans, waar wel vaker naar wordt verwezen als de geboortestad van de jazz, de blues en zowat alles wat eruit voortkwam, kan terugkijken op een lange traditie van opvallende pianisten; denk daarbij maar aan Dr. John, Professor Longhair en de excentriekeling James Booker. Er is er echter geen enkele die zo’n tot de verbeelding sprekend cv en zo’n nalatenschap kan voorleggen als Allen Toussaint. Een paar jaar geleden maakte hij nog indruk met Elvis Costello in Gent, maar deze keer stond alles in het teken van z’n album The Bright Mississippi, dat hij twee jaar geleden opnam met producer Joe Henry en een resem uitstekende muzikanten. Het was ’s mans meest jazzgeoriënteerde plaat ooit, en tevens een muzikale geschiedenisles.

Marc Ribot was ook op dat album te horen en nu ook de enige muzikant die Toussaint begeleidde. Dat het voldoende was om indruk te maken werd echter al snel duidelijk. De twee zorgden voor een duoconcert dat teerde op loepzuivere klasse van de eerste tot de laatste song. Er werd meteen een gulle greep uit The Bright Misssissippi gehaald, met het aan Monk ontleende titelnummer, een gezapig wiegend “Singin’ The Blues” en het bij Django Reinhardt geleende “Blue Drag”, stuk voor stuk nummers in die herkenbare pianostijl, waarbij die creoolse en blueselementen een relatie aangaan met vroege jazz en populaire muziek. De typisch luchtige franjes van Toussaints immer frisse spel werd daarbij prachtig gecounterd door Ribots gortdroge, soms wat tegendraadse aanpak, die het eerder moest hebben van gedempte en gekapte elementen dan vloeiende of virtuoze solo’s. Meer dan eens zaten er tics in die deden denken aan het spel van Johnny St. Cyr op het vroegste opnames van Louis Armstrong.



Guy Peters | foto's Geert Vandepoele
15 August 2011


Meer op Goddeau.com
goddeau.com
goddeau.com