Jazz Middelheim, 14 augustus 2011, Park den Brandt |
|
|
|||
![]() En het was een speeltuin voor de liefhebbers van New Orleans rhythm & blues, want “St. James Infirmary”, misschien wel een van de meest essentiële New Orleans-songs, werd voorzien van een prachtige lyriek, net als “With You In Mind”, wat meteen ook de eerste keer was dat Toussaint zong en waarvoor Ribot overschakelde naar elektrische gitaar. En vanaf dan stond de deur open: een stuwend “Yes We Can” en “Get Out Of My Life, Woman” verzoenden engagement met humor en soul en bereidden de weg voor solomomenten. Ribot kreeg niet de gewijde stilte van Thielemans gegund, maar maakte akoestisch net zo veel indruk als elektrisch bij het Bar Kokhba Sextet, terwijl Toussaint er een medley doorjoeg met o.m. “Everything I Do Gohn Be Funky”, pure boogie woogie, een flard “Once Upon A Time In The West”, Chopins “Dodenmars”, Griegs Pianoconcerto, “Chattanooga Choo Choo” en Brubecks “Blue Rondo A La Turk”. Hij plukte ook het wondermooie titelnummer uit z’n klassieker Southern Skies. Terwijl de podiummedewerkers al even stonden te gebaren dat de twee hun voorziene tijd al overschreden hadden, kondigde Toussaint breed lachend 'het tweede deel van de show' aan om vervolgens af te sluiten met “I’m Gone”. De set mankeerde vermoedelijk spektakel voor de jongere garde en de liefhebbers van uitgebreid tentoongespreide virtuositeit, maar dit was gewoonweg spelen met de essentie van muziek, uitgevoerd door twee meesters. Toussaint is een figuur die, net als John Lee Hooker, Hank Williams en Woody Guthrie, zoveel meer is dan zomaar een muzikant en in Marc Ribot heeft hij een partner gevonden die z'n muziek volledig tot recht laat komen. Het concert duurde bijna anderhalf uur. Dat had gerust verdubbeld mogen worden. De truken van de foor hebben geen geheimen meer voor Jamie Cullum: het opdondertje springt en klopt op z’n piano, rent over het podium, trekt op strategisch gekozen momenten een kledingstuk uit, geeft kusjes aan vrouwen op de eerste rij, zet het op een beatboxen, zorgt voor een gepast warrig kapsel en maakt aan de lopende band grappen (de ene al geslaagder dan de andere) die z’n imago van sympathieke laddie nog maar eens versterken. En ja, we moeten toegeven: aanvankelijk konden we ons meteen vinden in de vaak opgeworpen claim dat Cullum een topentertainer is. Hij speelt met het publiek zoals John Zorn dat een avond ervoor met z’n muzikanten deed. Hij hoeft nog maar te suggereren dat ze mogen klappen, en er wordt uitzinnig geklapt. Om nog maar te zwijgen van de semiorgastische kreetjes en gilletjes die het hele concert door te horen waren. Het was enkel wachten op de dubbele flick-flack. Tevergeefs. ![]() Hij ging ook van start met een hyperkinetische energie die je bijna deed vergeten dat hij een wat ongebruikelijke keuze voor een jazzfestival was, want hoe hard hij ook van de daken mag schreeuwen dat hij een jazz cat is, een fan in hart en nieren, het is iets dat slechts bij mondjesmaat aan bod komt in z’n eigen muziek. Zoals verwacht opende hij met “Just One Of Those Days” en zo jazzgericht zou het daarna nooit meer worden. Cullum is immers een popster voor de meerwaardezoeker, voor liefhebbers die jazz een leuk accessoire vinden als het hen goed uitkomt, maar verder geen nood hebben aan al dat overbodige gepingel voor saaie mensen die liever op hun kont blijven zitten. Cullum werkte zich in het zweet, vermeldde herhaaldelijk hoe trots hij was om er te mogen staan en gebruikte zowat elke techniek uit het coachings- en motivatiehandboek om het publiek te paaien. Intussen naaide hij “Seven Nation Army” van The White Stripes aan “Come Together” Van The Beatles, en refereerde hij ook al aan Chopin. Van jazz dus geen sprake meer, na die ene oprisping aan het begin. Op zich geen probleem, maar bleef je dan achter met een indrukwekkend concert? Nee. De energie ebde weg aan een angstwekkende rotvaart en al snel belandde de clowneske jongeling in een middenluik waar mid-tempo pop en slepende ballades afgewisseld en aangepakt werden met een compleet ongeloofwaardig sérieux. Als de Red Bull die door je aderen stroomt uitgewerkt is blijf je natuurlijk achter met dikke stroop. Dan viel ook meteen op dat zijn stijl er een is van effecten: dat eindeloos rekken van lettergrepen, dat spelen met de micro en het overschakelen op halve raps zijn er om te verhullen dat z’n zangtalent al even beperkt is als z’n pianospel, dat wel een zekere rock-‘n-roll-factor heeft, maar steeds opnieuw terugvalt op clichés en nietszeggende ideeën. “Please don’t stop the music” was even een terugkerend mantra, maar daar dachten wij wel anders over. “What A Difference A Day Makes” werd gebracht in een ronduit irritante, aanstellerige versie (kan er nog makkelijker gescoord worden?), terwijl het concert helemaal de mist in ging vanaf “These Are The Days”, waarbij Cullum samen met z’n broer de handdoek in de ring wierp. En dan hadden we er genoeg van. Cullum bewees op Middelheim vooral een showman te zijn: hij springt en huppelt als een combinatie van Jerry Lee Lewis en een Duracellkonijn, maar dat is achteraf ook het enige dat je je herinnert: de gimmicks. De muziek, zelfs als hij zich waagt aan andermans werk (“High Aand Dry” van Radiohead en Hendrix’ “The Wind Cries Mary” werden ook nog door de mangel gehaald), klonk al belegen voor hij ermee klaar was. En zo vulde de knaap ruim twee uur met topentertainment van het soort dat je vergeten bent zodra iemand de OFF-knop vindt. Waar zijn die rellen als je ze nodig hebt? Guy Peters | foto's Geert Vandepoele
15 August 2011 |
Meer Jazz Middelheim
Meer live
Meer op Goddeau.com
|
||




